De belangrijkste taak van hulpverlening is jezelf overbodig maken.
Ik ben Tom Smits, geboren in 1969. Ik studeerde theologie aan de ETF in Leuven en
behaalde daarna ook nog een diploma in de orthopedagogiek. Dat laatste was op vraag
van Ons Kinderhuis: ik had – na een periode van opeenvolgende interims in de leefgroep
die begon in februari 1995 – gesolliciteerd voor de functie van hoofdbegeleider, en één
van de voorwaarden was dat ik een pedagogisch diploma zou behalen. Van september
1995 tot maart 2000 werkte ik als teamleider van de gemengde leefgroep De Regenboog.
In 2000 ging ik dan de grote uitdaging aan om directeur te worden. Die functie heb ik
uitgeoefend tot 31 december 2017.
In de periode dat ik de fakkel overnam van Gerrit Vink werd duidelijk dat Ons Kinderhuis
binnen de Limburgse sector jeugdzorg gepercipieerd werd als een ‘enigszins vreemde
eend in de bijt’. Er waren op dat moment nog een aantal inwonende ‘tantes’, en tegelijk
groeide het besef dat professionalisering van het begeleidersbestand en het kader
noodzakelijk was.
Dat feit tekende de sfeer in die periode: aan de ene kant wilden we heel duidelijk onze
wortels in het christelijke geloof koesteren, aan de andere kant gingen we actief op zoek
naar medewerkers met specifiek pedagogische profielen. Ook werd in die periode sterk
ingezet op bijscholing van het reeds aanwezige personeel. Veel anciens volgden in die
tijd langdurige pedagogische opleidingen en anderen namen deel aan allerlei korte
studiedagen of trainingsprogramma’s.
Als ik eraan terugdenk komt het beeld in me op van ‘ramen en deuren openzetten’: Ons
Kinderhuis had behoefte aan een frisse wind, maar die wilden we wel laten waaien in het
bestaande huis. Die jaren 2000 stonden bovendien in het teken van Integrale
Kwaliteitszorg. Dat versterkte nog de drang om te professionaliseren – met behoud van
onze eigen christelijke visie.
Ik ben inmiddels al acht jaar weg uit Ons Kinderhuis, en ik heb ook bewust wat afstand
genomen, dus ik kan niet heel precies zeggen wat de verschillen zijn tussen de
toenmalige werkomgeving en die van nu. Maar uit de verhalen die ik af en toe nog
opvang, leid ik af dat veel dingen nog hetzelfde zijn: toenemende problematieken bij de
kinderen en jongeren die opgenomen worden, lange wachtlijsten, moeilijke
doorverwijzingen aan de ene kant. En aan de andere kant een team van medewerkers
die zich als frontsoldaten 120% blijven inzetten voor het welzijn van elke individuele
minderjarige. Volharden in de strijd, dat is het beeld. Om dat vol te houden moet je elke
overwinning, hoe klein ook, vieren. Ik heb de indruk dat dat toen de sfeer was, en dat die
attitude ook nu nog de drijfveer vormt.
Op technologisch vlak ik er heel wat veranderd. Ik herinner mij nog de begindagen van
het internet. Dat werkte toen nog langs de telefoonlijn, met een modem. Als iemand iets
aan het opzoeken was op het net, kon niemand meer bellen, of gebeld worden. Al snel
hebben we dan extra telefoonlijnen geïnstalleerd, met rechtstreekse inkiesnummers.
Later kwam de glasvezelkabel, en vergeet ook niet de razendsnelle evolutie van de
mobiele telefonie…
Het meest gedenkwaardig vind ik de momenten dat ex-bewoners ineens voor de deur
stonden. Onaangekondigd, soms tien of vijftien jaar na dato. Vooral die jongeren, die
zeker niet de gemakkelijkste waren geweest, en over wie iedereen zich afvroeg: hoe gaat
dit ooit aflopen?! Als zo’n jongere dan vertelt, wat hij of zij gerealiseerd heeft – een
opleiding, een baan, een huis, een stabiele relatie – dan voel je ‘plaatsvervangende
trots’. Het besef dat we toch iets hebben bijgedragen, dat we een mens vooruit hebben
geholpen. Het meest indringende moment voor mij was toen een jongere zei: ‘Jullie
waren de eerste in mijn leven die me niet hebben weggestuurd.’ Een mooiere manier om
‘dankjewel’ te zeggen bestaat er volgens mij niet.
Als persoon heb ik in die tijd heel veel geleerd van collega-directeurs. Zo’n
directiefunctie is best eenzaam en kent enorm veel uitdagingen. Dan doet het deugd om
te kunnen uitwisselen met mensen die in dezelfde situatie proberen het juiste te doen.
Alleen al het besef, dat je niet de enige bent die moeilijke beslissingen moet nemen doet
zoveel deugd. Ik heb heel veel bereidwilligheid ervaren om expertise te delen. Ik noem
liever geen namen, want ik wil niemand vergeten. Maar bij deze: dankjewel aan alle
fantastische collega-directeurs van het Limburgs Platform voor Bijzondere Jeugdzorg.
Ik noemde al de noodzaak en het verlangen om te professionaliseren. Mijn eigen
opleiding orthopedagogiek tijdens mijn periode als hoofdbeleider bracht heel wat
vernieuwende ideeën aan, die ik kon delen met collega’s. Als je dan merkt dat die
inzichten in de praktijk echt werken, en dat kinderen, jongeren en gezinnen daar wel bij
varen (en ook collega’s, trouwens). En ook als het niet werkt, heb je iets bijgeleerd, want
als het goed is stimuleert die ervaring je om andere manieren van werken te gaan
zoeken. Voortschrijdend inzicht krijg je alleen als je zelf levenslang blijft leren, vanuit een
gedrevenheid van het hart. Dat wens ik de huidige generatie van medewerkers van harte
toe.
Ik heb ontzettend veel geleerd tijdens mijn periode in Ons Kinderhuis. Ik haal er twee
dingen uit, die een blijvende invloed hebben gehad. Ten eerste: systemen hebben de
neiging om een eigen leven te gaan leiden, waardoor het gevaar bestaat dat de mens
voor wie het systeem in het leven geroepen was naar de achtergrond verdwijnt. Dat mag
nooit gebeuren. Of het nu is in de zorg, in het onderwijs, in de kerk, overal dienen we te
waken over de mensen om wie het gaat. Professionaliseren en informatiseren is
allemaal nuttig en noodzakelijk, maar het mag nooit ten koste gaan van echte liefde en
aandacht voor individuele mensen.
Het tweede heb ik door schade en schande geleerd: hulpverleners, of het nu begeleiders
zijn of directeurs, trappen vaak in de val dat ze alles alleen moeten doen. ‘Als ik het niet
doe, gebeurt het niet, dus ik steek nog maar een tandje bij.’ Dat is heel nobel, maar het is
ook een gegarandeerd recept voor burn-out. Stapje voor stapje ben ik nog altijd aan het
leren om tijdig aan de bel te trekken als het teveel wordt; om me bij elke potentiële taak
af te vragen: moet dit gedaan worden? Moet dit door mij gedaan worden? Elke druppel
energie kan je maar één keer uitgeven, dus die permanente afweging is cruciaal om te
kunnen blijven functioneren. Die spiegel houd ik mezelf voor, en ik geef dat ook graag
mee als advies voor de komende generatie: zorg niet alleen voor de anderen, zorg ook
een beetje voor jezelf.
De belangrijkste taak van hulpverlening is jezelf overbodig maken. Dat lukt lang niet
altijd, maar geniet samen met cliënt van elke kleine overwinning. Een boom groeit niet
op één moment, dat duurt jaren. Maar elk takje, elk knopje of elk blaadje is er één.
Koester die hoop!
Geschreven door Tom zelf op basis van aangeleverde vragen.